Skip to content

Op weg naar een erkenning voor burenhulpnetwerken? Het Brussels Parlement ondervraagt minister Laaouej

Op 18 juni 2026 interpelleerde volksvertegenwoordiger Stéphanie Lange (Les Engagés), in de commissie Gezondheid en Bijstand aan Personen van het Brussels Parlement, Ahmed Laaouej, Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Sociale Actie en Solidariteit, over de toekomst van de burenhulpnetwerken. Een vraag die ons sector rechtstreeks aanbelangt, en waarop de minister een zowel duidelijk als bemoedigend antwoord gaf.

Een gedeelde vaststelling over de relevantie van burenhulpnetwerken

Het Brussels Gewest telt vandaag bijna 160.000 personen ouder dan 65 jaar, een cijfer dat tegen 2030 zou moeten oplopen tot 200.000. Deze snelle veroudering van de bevolking gaat gepaard met een belangrijke uitdaging: sociaal isolement, dat een groeiend deel van de ouderen treft en het risico op depressie, functieverlies en zelfs vroegtijdig overlijden verhoogt.

Tegen deze achtergrond herinnerde Stéphanie Lange aan de essentiële rol van de lokale burenhulpnetwerken: door opnieuw sociale banden te creëren op wijkniveau, versterken deze netwerken de autonomie van ouderen, verbeteren ze hun fysiek en mentaal welzijn, en ondersteunen ze — als aanvulling — de professionele diensten en de mantelzorgers. De preventieve aanpak van de netwerken verlicht bovendien de druk op de reeds overbelaste eerstelijnsdiensten.

Het probleem? Deze netwerken steunen vandaag bijna uitsluitend op facultatieve subsidies, wat hun duurzaamheid fragiliseert en hun ontwikkeling afremt. Vandaar de vraag van de volksvertegenwoordiger: werkt het Verenigd College aan de invoering van een erkenningssysteem voor deze netwerken, om hun rol volledig te erkennen als aanvulling op de bestaande hulp- en zorgvoorzieningen? En zo ja, met welke timing?

Minister Laaouej erkent het geleverde werk

In zijn antwoord wilde de minister eerst het werk huldigen dat al jaren op het terrein wordt verricht.

« De lokale burenhulpnetwerken bieden een concreet en bijzonder relevant antwoord door opnieuw verbondenheid te creëren binnen de wijken. Ze doorbreken niet alleen de eenzaamheid, maar versterken ook de autonomie van ouderen en ondersteunen op complementaire wijze de professionele diensten en de mantelzorgers. »

Hij noemde expliciet de vijf burenhulpnetwerken die lid zijn van Samen Toujours (de vzw’s Bras dessus Bras dessous en Accolage, de projecten Reliage van het Rode Kruis van België en Entour’âge van het Wijkhuis Chambéry, en het netwerk CitiSen van het Biloba Huis).

Wat de kern van de vraag betreft — de noodzaak van een stabieler kader — bevestigde de minister dat het Verenigd College deze vaststelling deelt.

« Wij delen de vaststelling dat de toegekende facultatieve steun geen voldoende stabiliteit op lange termijn waarborgt. »

Sinds 2024 is Iriscare, in nauw overleg met de actoren op het terrein, gestart met een denkoefening om een gemeenschappelijk kader uit te werken. Dit werk heeft reeds geleid tot een gedeelde visie en eerste aanzetten voor erkenningsnormen, rekening houdend met de diversiteit aan bestaande benaderingen op het terrein.

Er werd ook al een eerste juridische verkenning uitgevoerd, met specifieke ondersteuning van Iriscare voor dit voorbereidend werk. De uitwisselingen tussen de administratie en de burenhulpnetwerken gaan verder om deze vorderingen concreet vorm te geven.

Een realistische timing

Ondervraagd over de termijnen was de minister transparant: de invoering van een erkenningsstelsel vereist grondig werk — het opstellen van gedetailleerde normen, overleg met de sector, adviesaanvragen, validatie door de bevoegde instanties, en vervolgens parlementaire goedkeuring en publicatie.

In die context sprak hij van een redelijke termijn van ongeveer een jaar om tot een volledig en juridisch solide kader te komen. Tot dan verbond hij zich ertoe dat de steun aan de bestaande netwerken zou worden voortgezet, « want zij beantwoorden aan een reële en groeiende behoefte van de bevolking ».

De minister benadrukte ook de aanvullende rol van de lokale besturen — gemeenten, OCMW’s en thuiszorgdiensten — en verwees daarbij naar zijn ervaring als burgemeester tijdens de Covid-19-crisis, toen de opsporing van geïsoleerde personen ouder dan 65 jaar het mogelijk had gemaakt om gerichte lokale begeleiding te organiseren.

De volledige tekst van de mondelinge vraag en het antwoord is te vinden op de website van het Brusselse Parlement

Back To Top